Een plek voor iedereen…toch?

Blog, Blog Pedagogiek

Van 21 tot en met 25 september is het de Week tegen Pesten. Stichting School & Veiligheid organiseert deze week ieder jaar. Daarbij is de aandacht vooral gericht op het voortgezet onderwijs. Maar (leren) omgaan met elkaar, ruimte geven en ruimte krijgen om jezelf te zijn begint al lang voor die tijd. Juist op de kinderopvang oefenen en ontwikkelen kinderen zulke sociaal-emotionele vaardigheden. Naar aanleiding daarvan delen we graag onderstaande blog van onze afdeling pedagogiek.

Dit jaar staat de vraag centraal: “Een plek voor iedereen! Toch?” Een mooie vraag om bij stil te staan, want ieder kind wil graag ergens bij horen. Maar lukt dat altijd?

Hoe was het vandaag?

Je haalt je kind op van de opvang en vraagt hoe de dag was. “Goed”, is vaak het antwoord. Wat er precies is gebeurd, blijft meestal een verrassing. Tot je kind ineens vertelt dat het niet mee mocht spelen. Of juist dat een ander kind niet mee mocht doen.

En dan kan je ouderbrein meteen aan de slag. Wie heeft dat gezegd? Gebeurt dit vaker? Waarom mocht mijn kind niet meedoen? Zal ik de opvang bellen? Of eerst maar eens rustig ademhalen?

“Mijn kind doet dat nooit!”

Misschien hoor je vervolgens dat jouw kind degene was die een ander kind niet mee liet doen. Dan is de eerste gedachte misschien: “Mijn kind doet dat nooit!” Thuis ken je je kind als lief, zorgzaam en gezellig. Misschien is het juist degene die altijd vraagt of iedereen mee mag doen.

Toch kunnen kinderen in een groep ander gedrag laten zien dan thuis. Misschien wilde je kind heel graag met één vriendje spelen. Misschien deed het mee met wat de rest van de groep deed. Of misschien dacht je kind gewoon: wij waren eerst, dus jij mag niet meedoen.

Gedrag thuis en op de opvang

Dat betekent niet meteen dat je kind een pester is. Jonge kinderen moeten nog leren hoe je samen speelt, rekening houdt met een ander en omgaat met momenten waarop kinderen iets anders willen.

Je kunt thuis rustig vragen wat er is gebeurd. Bijvoorbeeld: “Hoe zou jij het vinden als niemand jou mee liet doen?” Zo help je je kind om ook te kijken naar hoe een ander zich voelt.

Niet met iedereen willen spelen is iets anders dan steeds hetzelfde kind niet mee laten doen. Een kind mag best zeggen dat het even alleen wil spelen of liever met één vriendje speelt. Het gaat vooral om de manier waarop je dat doet.

“Zeg dan gewoon dat je het niet leuk vindt!”

Dat klinkt voor jou als ouder heel logisch. Maar voor een kind is dat helemaal niet zo makkelijk. Als er meerdere kinderen tegenover je staan, kan het lastig zijn om voor jezelf op te komen. Je moet weten wat je wilt zeggen én het durven zeggen.

Voor jezelf opkomen is iets wat kinderen nog moeten leren. Daar kun je thuis mee oefenen. Bijvoorbeeld tijdens het spelen. Wat kun je zeggen als iemand jouw speelgoed afpakt? Of als iemand zegt dat je niet mee mag doen?

Thuis oefenen

Samen kun je korte zinnen oefenen, zoals: “Stop, dat wil ik niet”, “Mag ik meedoen?” of “Dat is van mij.” Door dit thuis te oefenen, weet je kind beter wat het kan zeggen als het nodig is.

En lukt het niet om er samen uit te komen? Dan hoeft je kind het niet alleen op te lossen. Leer je kind dat het altijd naar een pedagogisch professional kan gaan en kan vertellen wat er is gebeurd. Die kan helpen om samen een oplossing te zoeken.

“Niemand vindt mij leuk.”

En dan komt je kind thuis met: “Niemand vindt mij leuk.” Dat komt binnen. Je wilt misschien meteen weten wie dit heeft gedaan en het probleem oplossen. Toch helpt het om eerst rustig te luisteren. Een kind kan “niemand” zeggen terwijl het eigenlijk gaat om één ruzie of één moment. Vraag daarom wat er precies is gebeurd en met wie je kind wilde spelen.

Samen kijken wat er speelt

Blijft je kind vaker verdrietig thuiskomen, staat het vaak alleen of wil het niet graag naar de opvang? Praat hier dan over met de pedagogisch professionals. Samen kun je kijken wat er speelt en wat je kind nodig heeft.

‘Een plek voor iedereen’

Een plek voor iedereen betekent voor ons dat ieder kind zich veilig, welkom en fijn voelt op de groep. Je kind mag zichzelf zijn en doen wat bij hem of haar past. Het ene kind speelt graag samen, terwijl een ander kind liever even alleen speelt. Het ene kind stapt makkelijk op anderen af, terwijl een ander wat meer tijd nodig heeft.

Als kinderen weten dat ze erbij horen en dat ze hulp kunnen vragen als iets niet fijn voelt, geeft dat vertrouwen. Ieder kind mag er zijn, op zijn eigen manier.